Doseren op basis van farmacogenetica

07 Jun, 2022

Door Marike Jacobs

Doseren is de juiste hoeveelheid van een regulier of complementair (genees)middel verstrekken teneinde een beoogd resultaat te halen. In de praktijk blijkt de aanpak van trial-and-error veel gebruikt. Maar welke factoren zijn eigenlijk van invloed op een ‘juiste dosis’? In ieder geval is er een rol voor de genetica weggelegd. Farmacogenetische kennis kan preventief bijdragen aan een effectievere behandeling en het voorkomen van bijwerkingen.

Farmacogenetica - pharmacogenetics - is een wetenschappelijk vakgebied dat genetische variaties in enzymen en medicijntransporters bestudeert in relatie tot de respons van een individu op een medicijn. Dan gaat het niet alleen om het therapeutisch effect van een medicijn, maar ook om de mogelijke bijwerkingen die het kan veroorzaken. De termen pharmacogenetics en pharmacogenomics worden vaak door elkaar gebruikt, maar strikt genomen omvat de term pharmacogenomics een breder terrein en wordt daarin onder meer ook de epigenetica (expressie van genen) betrokken.

Allereerst een stukje geschiedenis. In de jaren vijftig van de vorige eeuw werden opmerkelijke bevindingen gedaan op het gebied van de farmacogenetica.1 Zo bleek het middel isoniazide, wat gebruikt wordt bij tuberculose, bij een deel van de mensen tot neuropathie te leiden. Later werd duidelijk dat dit te maken had met frequent voorkomende genetische variaties in het enzym N-acetyltransferase (NAT), waarbij langzame acetyleerders een hogere kans op bijwerkingen hebben dan snelle acetyleerders.
In de Tweede Wereldoorlog was het gebruik van het antimalariamiddel primaquine gangbaar. Het medicijn leidde bij ongeveer 10% van de Afrikaanse soldaten tot een acute hemolytische crisis, terwijl Kaukasische soldaten bijna nooit last hadden. Later bleek dat deze gevoeligheid werd veroorzaakt door een deficiëntie in het enzym glucose-6-fosfaatdehydrogenase (G6PD), dat vooral voorkomt bij mensen met een Afrikaanse achtergrond.

Een ander voorbeeld uit de jaren vijftig betreft succinylcholine, een spierverslappend middel dat gebruikt wordt in de anesthesie. Bij mutaties in het enzym butyrylcholinesterase (BChE), ook wel pseudocholinesterase genaamd, treedt na toediening van anesthetica een sterk verlengde duur van spierverslapping op. Essentieel om te weten in verband met de duur van de mechanische beademing na een operatie.
In de jaren zeventig werd het cytochroom-enzym CYP2D6 in verband gebracht met het bloeddrukverlagend middel debrisoquine en het anti-aritmicum sparteïne. De weg naar een heel nieuw veld van onderzoek was geopend, waarbij ook Nederland een vooraanstaande rol speelt.
In 2005 werd de Dutch Pharmacogenetics Working Group (DPWG) opgericht door de Koninklijke Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie (KNMP) met als doel de arts en apotheker te helpen om farmacogenetica in de praktijk toe te passen. In 2013 kwam er een leerstoel farmacogenetica bij de afdeling Klinische Chemie van het Erasmus MC. Met deze ontwikkelingen werd personalised medicine een feit. Inmiddels zijn er voor zo’n twintigtal genen in combinatie met ruim zestig geneesmiddelen dosisadviezen beschreven.

Lees het gehele artikel vanaf pagina 18 in OrthoFyto 3/22.

Wilt u het gehele artikel als PDF bestand ontvangen? Bestel het dan hier voor € 3,50.

Bronvermelding:
1. Meyer, Urs A. Pharmacogenetics–five decades of therapeutic lessons from genetic diversity. Nature Reviews Genetics, 2004, May 9: 669-676.
2. Scott, Stuart A., et al. PharmGKB summary: very important pharmacogene information for cytochrome P450, family 2, subfamily C, polypeptide 19. Pharmacogenetics and genomics, 2012, 22.2: 159.
3. PharmVar. Pharmacogene Variation Consortium. Geraadpleegd op 14 april via www.pharmvar.org
4. Ron van Schaik: Samenwerking bepaalt succes van farmacogenetica. FarmaMagazine, september 2017.
5. Clinical Guideline Annotations. Geraadpleegd op 14 april via www.pharmgkb.org/guidelineAnnotations