Mythe van brandend maagzuur leidt tot alle degeneratieve ziekten

10 juni 2016

Minstens 44% van de bevolking lijdt regelmatig aan brandend maagzuur en zure oprispingen. De conventionele behandeling van brandend maagzuur, ook wel gastro-oesofageale refluxziekte genoemd, zijn zuurneutralisatoren (alkaliën) en zuuronderdrukkers. Dit alles omdat wij een teveel aan maagzuur zouden hebben. Dit idee is wereldwijd een grandioze mythe geworden, die veel geld opbrengt voor de farmaceutica.

Brandend maagzuur treedt op, wanneer een kleine hoeveelheid maagzuur via de klep van de onderste slokdarmsluitspier of sfincter (LES) terugvloeit, waardoor de kwetsbare bekleding van de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raakt. Maagzuur kan het ‘brandend’ gevoel in de slokdarm veroorzaken Chronische blootstelling aan zuur in de slokdarm kan ernstige aandoeningen geven zoals refluxoesofagitis en gastro-oesofageale refluxziekte. Er is een onjuiste opvatting ontstaan dat er een ‘teveel’ aan maagzuur zou zijn om schade teweeg te brengen. Zelfs heel weinig maagzuur (pH=1) in de slokdarm kan al weefselschade veroorzaken. De aanwezigheid van zuur in de slokdarm of het refluxsymptoom is niet het resultaat van te veel zuuraanmaak in de maag, maar eerder van een te weinig maagzuur door een verstoorde maagzuurafscheiding. En vooral een verzwakte gespierde klep (sfincter) die het onderste deel van de slokdarm bewaakt. Deze onderste slokdarmsluitspier opent normaal wijd om doorgeslikt voedsel en vloeistoffen gemakkelijk in de maag te laten, met uitzondering bij boeren en braken. Deze klep (poortwachter genoemd) sluit onmiddellijk als het voedsel is gepasseerd, waardoor een terugloop van zure maagsappen in de slokdarm wordt voorkomen. Deze klep reageert op de veranderingen van de concentratie van het maagzuur.

Wilt u het hele artikel als PDF ontvangen? Bestel het dan hier voor € 3,50.

Bronnen:
1. George S, Clark JD. Milk alkali syndrome – an unusual syndrome causing an unusual complication. Postgrad Med J. 2000, 76:422-423.
2. Faché Walter. Kankertumoren voorkomen, behandelen en nabehandelen met natriumbicarbonaat. Nutritionele Monografie nr 123. Publi Media Faché Instituut, Laarne 2015.
3. Huang JQ, Sridhar S, Chen Y, Hunt RH. Meta-analysis of the relationship between Helicobacter pylori seropositivity and gastric cancer. Gastroenterology. 1998 Jun 30;114(6):1169-79.
4. The EUROGAST Study Group. Lancet 1993, 341: 1359-1362.
5. Parsonnet J, Friedman GD, Vandersteen DP, et al. Helicobacter pylori infection and the risk of gastric carninoma. N. Engl J. Med. 1991, 325:1127-1131.
6. Krasinski SD, Russell RM, Samloff IM, et al. Fundic atrophic gastritis in an elderly population. J Am Geriatr Soc. 1986, 34:800-806.Ref.:
Jacobs A, Lawrie JH, Entwistle CC, Campbell H. Gastric acid secretion in chronic iron-deficiency anaemia. Lancet. 1966, 2:190-192.
7. Kassarjian Z, Russell R. Hypochlorhydria: A factor in nutrition. Ann Rev Nutr. 1989, 9:271-285
8. Lazio J. Effect of gastrointestinal conditions on the mineral-binding properties of dietary fibers. Dintzis F, Lazio J, eds. Advances in Experimental Medicine and Biology, Vol 0249, New York: Plenum Press, 1993.